Column: Kapper

Met het oog op verantwoord ouderschap, hebben we onze zoon (10) opgevoed met de overtuiging dat het leven niet om uiterlijk draait. ‘Het gaat tenslotte om de binnenkant’, voegden we er met katholieke blik aan toe. We waren ons er toen niet van bewust dat deze pedagogische les later tegen ons gebruikt zou worden.

10 Jaar later vindt onze zoon dat het totale onzin is, om ook maar íets aan je uiterlijk te doen (want toch niet belangrijk?) en besteedt hij zijn tijd liever aan andere dingen. Douchen? Dagelijks en lang, zittend in de douchebak zonder de zeep aan te raken. Tanden poetsen? Met de elektrische tandenborstel op standje tien. Kleren kopen? In rap tempo, niks passen en alleen joggingspul. Haar knippen? Totale tijdverspilling, dus bij voorkeur niet.


Grote sfeerbederver in ons huis, is dus de snelle haargroei van zijn goudblonde lokken. Wanneer zijn prachtige manen de limiet bereikt hebben, herhaalt zich een discussie die uitmondt in gezucht, gesteun en zware onderhandelingen. En uiteindelijk ruzie, bij de kapper. Toen vanochtend het woord ‘kapper’ viel, wierp het ventje me een dodelijke blik toe vanonder zijn veel te lange haren, die inmiddels de wenkbrauwgrens bereikt hadden. Hoe ik het idee dúrf te opperen, in de meivakantie notabene?! En dat hij helemáál niet op een misdienaar lijkt of op een middeleeuws Romeintje, met zijn platte pony over zijn voorhoofd. En dat het nog best een week kan wachten, op z’n minst. Met als laatste argument; dan zet ik wel een pet op.


Ik geef me niet gewonnen. Wij. Gaan. Naar. De. Kapper. zeg ik met belerende vinger en strenge blik. Ik pak de telefoon en bel Kapper Sam, een sympathieke man uit het Midden-Oosten die enthousiast inburgert met zijn ‘Kapsalon Bladel’. Onze geïrriteerde zoon ploft in zijn kappersstoel en staart gefrustreerd in de spiegel. ‘Zegmar. Hoe wil jij hebben?’ vraagt Sam. ‘Wil jij kort, beetje lang, met streepje? Zegmar.’


De donderwolk kijkt mij via de spiegel aan en de rook komt uit zijn oren. ‘Niet te kort’ zegt hij stug. ‘Hoe kort?’ vraagt Sam en maakt variërende ruimtes tussen duim en wijsvinger. De jongen geeft antwoord met een nauwelijks zichtbare ruimte tussen zijn vingers. Ik grijp in want het gaat me niet gebeuren dat ik volgende week wéér terug kan met deze boze Romein. ‘Klant mag zeggen’ zegt Sam beslist en ik kijk misprijzend toe hoe 2 millimeter haar op de grond valt. Krijgt ’t ventje alsnog gelijk; ’t is totale tijdverspilling.